Veelgestelde vragen

Algemeen

Waarom wordt het project Lob van Gennep gestart?

MIRT onderzoek laat zien dat er kansen zijn om zowel de inwoners en ondernemers in de Lob van Gennep beter te beschermen tegen hoogwater als de waterbergende functie van het gebied te verbeteren. En, dat deze kansen samen kunnen gaan met het versterken van de gebiedskwaliteiten.

Welke partijen zijn initiatiefnemer en werken samen aan het project?

Lob van Gennep is een gezamenlijk project van gemeenten Gennep en Mook en Middelaar, waterschappen Limburg en Aa en Maas, provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland en het Rijk (Rijkswaterstaat en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). Zij zijn de initiatiefnemers. Waterschap Limburg treedt namens de samenwerkende overheden op als trekker van de verkenning.

Wat verandert er door het project voor mij?

Na realisatie van het project Lob van Gennep bent u beter beschermd tegen hoogwater van de Maas. De dijken zijn versterkt en verhoogd en het gebied stroomt pas later (minder vaak) in. De status van het gebied blijft het zelfde, namelijk onderdeel van de rivier/het rivierbed waarvoor het bergend regime geldt. Door de bijzondere gebiedskwaliteiten te verbinden met de opgave voor waterveiligheid zijn er kansen om het gebied nog mooier te maken. We denken hierbij aan het aanleggen van voet- en fietspaden, het ruimtelijk inpassen van de dijken, het weer verbinden van het dorp Middelaar met de Maas en het zichtbaar maken van cultuur-historische waarden.

Wanneer is bepaald dat de Lob van Gennep tot het rivierbed behoort?

De Lob van Gennep behoort juridisch gezien al lange tijd tot het rivierbed. Lees het volledige antwoord hier. 

Wat wordt er elders langs de Maas gedaan m.b.t. hoogwaterveiligheid?

Langs de hele Maas vinden maatregelen plaats om Zuid-Nederland beter te beschermen tegen hoogwater. Zowel elders in Limburg als in Noord-Brabant en in België wordt en is aan de rivier gewerkt. Dit wordt gedaan door een combinatie van rivierverruiming en dijkversterking. Deze maatregelen samen zorgen voor een waterstandsdaling van de Maas en het houden van droge voeten. Het is een aaneenschakeling van maatregelen die nodig zijn om ook in de toekomst voldoende veiligheid te houden. Verbetering van de tijdelijke waterberging én de hoogwaterbescherming in de Lob van Gennep is een van die maatregelen langs de Maas en erg belangrijk door de omvang van het gebied en de doorwerking van haar waterstandsdaling tot aan de Biesbosch.

Wat wordt er met de brugverruiming bij Oeffelt gedaan m.b.t. hoogwaterveiligheid?

Onder de verbindingsweg Oeffelt-Gennep (N264) is een smalle waterdoorgang. Deze ‘flessenhals’ zorgt voor hoge waterstanden in de Maas. Het project ‘Ruimte voor de Maas bij Oeffelt' moet ervoor zorgen dat de waterstand zakt, door de doorstroomopening bij de brug te verbreden en daar de uiterwaard te verlagen, zodat ook bij extreem hoogwater het overstromingsgevaar afneemt.

Wordt er bij de Kroonbeek al gewerkt aan de Lob van Gennep?

Nee, dat is niet het geval: het project Lob van Gennep zit nog in de verkenningsfase. Pas aan het eind van de verkenning, over meer dan een jaar, vindt besluitvorming plaats. Ten vroegste in 2024 starten de werkzaamheden aan Lob van Gennep. 

Onderdeel van Maaswerken
De dijkversterkingswerkzaamheden aan het dijktraject van Milsbeek - Ven-Zelderheide zijn onderdeel van het programma Maaswerken. Er wordt gewerkt op twee locaties: aan de Kleefseweg, langs de N271 ter hoogte van Milsbeek en langs de Bloemenstraat. Op deze locaties voldeed de dijk nog niet aan de waterveiligheidsnorm van 1/250 per jaar, de norm die gold tot 1 januari 2017. De huidige werkzaamheden worden naar verwachting dit jaar afgerond. 

Na afronding van deze werkzaamheden voldoet het dijktraject van Mook tot aan de Duitse grens bij Ottersum aan de veiligheidsnorm van 1/250. Na oplevering van het project Lob van Gennep zal het hele gebied straks voldoen aan de nieuwe wettelijke veiligheidsnorm van 1/300.

Wat zijn de gevolgen van de Lob van Gennep voor Duitsland?

Via het Niersdal staan lager gelegen gedeeltes in Duitsland in open verbinding met de Maas. Voor het project Lob van Gennep kijken we naar extreme Maasafvoeren, die met een zeer kleine kans voorkomen. In hoeverre deze hoogwaters via het Niersdal wateroverlast of overstroming in Duitsland kunnen veroorzaken, wordt binnen het project Lob van Gennep bekeken en er worden contacten gelegd met Duitsland. Het project Lob van Gennep maakt het hoogwaterrisico voor Duitsland niet groter of kleiner. Wel zal in elk geval aan Nederlandse zijde een dijk gerealiseerd worden die het gebied tegen extremere hoogwaters dan nu beschermt.

Waarom werken gemeenten mee aan het project Lob van Gennep?

Om het gebied veiliger te maken dan dat het nu is. Door maatregelen te nemen in de Lob van Gennep kan het gebied een stuk beter beschermd worden tegen overstromingen, dan de bescherming die in de huidige situatie aanwezig is. De gemeenten zien erop toe dat de beste oplossing wordt gekozen die zorgt voor waterveiligheid van het hele gebied, waarbij in ieder geval aan de wettelijke norm wordt voldaan. Om die rol te vervullen, zijn de gemeenten Gennep en Mook en Middelaar lid van de stuurgroep.

Wethouder gemeente Gennep Rob Peperzak: “Mijn inzet is om te zorgen voor maximale hoogwaterbescherming voor de bewoners. Want daar heeft iedereen recht op. Momenteel inventariseren we eerst welke mogelijke oplossingen er liggen. Er liggen er nu drie, maar er is zeker ruimte voor een vierde of vijfde oplossing. Ik sta echt voor het belang van de mensen in de gemeente Gennep. Het allergrootse belang is waterveiligheid en de oplossing kiezen die optimaal recht doet aan het gebied.”

Wethouder Mook en Middelaar Geertjan Wienhoven: “Ik woon al sinds 1996 in dit gebied en werd in 2006 wethouder. Ik heb een zorg die ik met alle inwoners deel. Ik heb van veel mensen gehoord hoe het hoogwater in 1993 en 1995 hen heeft geraakt en wat het met hen deed en doet. Dus als je mij vraagt of ik mee wil werken aan een betere hoogwaterbescherming, dan zeg ik volmondig ‘ja!’. Want ik hoop dat onze inwoners nooit meer hoeven mee te maken wat er bij eerdere hoogwaters is gebeurd.”

Hoogwaterbescherming

Hoe kan het gebied beter beschermd worden en tegelijkertijd haar waterbergende werking behouden?

Het gebied moet langer droog blijven dan nu het geval is. Alleen dan kan het een rol spelen bij een extreem hoge piekafvoer. Door de dijken te verhogen en het gebied pas later in te laten stromen, houden we het water langer buiten het gebied. Om het water bij zeer extreme omstandigheden het gebied in te laten stromen, is een instroomvoorziening nodig die alleen bij deze extreme piekafvoeren ingezet wordt. In deze extreme situatie stroomt een groot deel van de Limburgse dijktrajecten op dat moment al over en is er al sprake van grootschalige evacuatie uit andere delen van Limburg.

Waarom verhogen we de dijken niet tot ver boven het wettelijk veiligheidsniveau?

Het project Lob van Gennep zorgt ervoor dat mensen in het gebied in ieder geval de wettelijke waterveiligheid krijgen. Welke oplossing aan het eind van de verkenning ook gekozen gaat worden. De dijken nog hoger maken, tot ver boven het wettelijk niveau, gaat niet. In Nederland is een wettelijke normering afgesproken waarbij voor alle dijken in Nederland op dezelfde manier is vastgesteld welk beschermingsniveau deze moeten bieden. Het is de bedoeling dat alle dijken in Nederland uiterlijk in 2050 voldoen aan de nieuwe veiligheidsnormen die per 1/1/2017 zijn opgenomen in de Waterwet. Dijken worden hierbij zodanig versterkt dat deze aan de norm voldoen. Er wordt daarbij niet extra geïnvesteerd om de dijken hoger en sterker te maken dan volgens de veiligheidsnorm nodig is.

Wat is een waterkerende instroomvoorziening?

Een waterkerende instroomvoorziening is een constructie die hoogwater van de Maas tegenhoudt. Gecombineerd met de hogere dijken blijft het gebied langer droog dan in de huidige situatie. Pas bij extreem hoge waterstanden wordt de voorziening geopend om water tijdelijk in het gebied te bergen. De opening van een waterkerende instroomvoorziening verloopt naar verwachting via een strak voorgeschreven openingsprotocol.

Wat is kwel? En hoe wordt de kwelproblematiek aangepakt?

Kwelwater is grondwater dat uit de grond komt. In het gebied tussen Gennep en Mook ontstaat kwel als gevolg van waterdruk vanuit de stuwwal in combinatie met stijgende waterstanden in de Maas. Het gebied heeft van nature dus te maken met het fenomeen kwel, en de hoeveelheid kwelwater neemt toe als waterstanden in de Maas stijgen.

Het project Lob van Gennep onderzoekt in het kader van de milieueffectrapportage effecten van hoge waterstanden in de Maas op kwel. Indien kwelwater als gevolg van hoogwater voor te grote problemen zorgt, is een van de mogelijkheden om het watersysteem in het gebied aan te passen. Of en welke aanpassingen dan mogelijk zijn, is in dit stadium van de verkenning nog niet te zeggen.

Hoeveel veiliger wordt het gebied?

In 1993 en 1995 betrof de Maasafvoer ongeveer 3.000 m3/s. Uitgedrukt in een waterstand was dit ongeveer NAP +13 m ter hoogte van Milsbeek. De dijken zijn recent door het project Maaswerken verhoogd, waardoor ze bestand zijn tegen hogere waterafvoeren. In de huidige situatie is het gebied beschermd tegen hoogwater tot een Maasafvoer van circa 3.600 m3/s, waarbij de waterstand circa NAP +13,5 m is ter hoogte van Milsbeek.

Na uitvoering van het project Lob van Gennep is het gebied nog beter beschermd tegen hoogwater. De dijken worden verhoogd en versterkt volgens de wettelijke waterveiligheidsnorm, die geldt sinds 1 januari 2017. Dit is bij alle oplossingen het geval. De versterkte en verhoogde dijken kunnen hoogwaters keren tot Maasafvoeren van circa 4.100 tot  4.500 m3/s. Als wordt gekozen voor een oplossingsrichting met een waterkerende instroomvoorziening, is het gebied nog beter beschermd tegen hoogwater. Het gebied is beschermd tegen hoogwater tot een Maasafvoer van circa 4.700 m3/s en de bijbehorende waterstand bedraagt dan circa NAP +14 m ter hoogte van Milsbeek. Dit komt omdat bij die oplossingsrichtingen de dijken nog een stukje hoger en sterker worden gemaakt.

Wat houdt de wettelijke norm voor waterveiligheid in?

Sinds 1 januari 2017 geldt een nieuwe normering voor waterveiligheid in Nederland. Met de nieuwe normering geldt er een basisbeschermingsniveau voor iedereen in Nederland. Daarnaast worden gebieden waar veel slachtoffers kunnen vallen of waar de economische schade groot zal zijn, extra beschermd.  De kans op overlijden als gevolg van een overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Dit niveau voor de basisbescherming is vervolgens vertaald naar een veiligheidsnorm per dijktraject, uitgedrukt in overstromingskansen. De veiligheidsnorm voor dijktrajecten is dus hoger naarmate een overstroming tot grote aantallen slachtoffers of economische schade zou kunnen leiden. Iedereen in Nederland krijgt tenminste hetzelfde beschermingsniveau tegen overstromingen.

De veiligheidsnormen die hiervoor gehanteerd worden zijn tot stand gekomen door te kijken naar de risico’s: de kans op overstromen én de gevolgen van een overstroming. Elementen die een rol spelen bij de berekening zijn de verwachte situatie in 2050 voor het aantal inwoners en de economische waarde, de snelheid van overstromen en hoe hoog het water komt. Hierdoor kunnen dijken verschillende normen krijgen. Daar bovenop wordt extra en gericht geïnvesteerd in gebieden met een risico op veel slachtoffers en grote economische schade. Vitale en kwetsbare infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen en ziekenhuizen, krijgen extra aandacht.

Kan de wettelijke beschermingsnorm voor dijken nog veranderen?

Nee. De norm is landelijk vastgelegd in de Waterwet. Uitgangspunt daarbij is dat voor iedere Nederlander in Nederland eenzelfde veiligheidsniveau geldt met betrekking tot het risico om als gevolg van overstroming te overlijden. Rekening houdend met lokale omstandigheden, zoals de nabijheid van hoge gronden, is in de Waterwet voor elk dijktraject een norm vastgesteld.

Waarom krijgen wij natte voeten om Noord-Brabant droog te houden?

Vanwege de laagte in het landschap stroomt in de huidige situatie bij extreem hoogwater water in de Lob van Gennep. Hierdoor zijn stroomafwaarts de waterstanden minder hoog, is de kans op overstroming kleiner en hoeven de dijken daar minder verhoogd te worden. Na de uitvoering van een project Lob van Gennep stroomt het gebied pas bij extremere hoogwatersituaties in, wordt het water beter tijdelijk vastgehouden en treden bij zulke hoogwatersituaties stroomafwaarts lagere waterstanden op. Bewoners en ondernemers in de Lob van Gennep zijn na uitvoering van het project beter beschermd tegen hoogwater en gebiedskwaliteiten worden versterkt.

Overigens vinden langs de hele Maas maatregelen plaats om Zuid-Nederland beter te beschermen tegen hoogwater. Zowel elders in Limburg als in Noord-Brabant en in België wordt en is aan de rivier gewerkt. Al die maatregelen samen zorgen voor een waterstandsdaling van de Maas en het houden van droge voeten. Het is een aaneenschakeling van maatregelen die nodig zijn om ook in de toekomst voldoende veiligheid te houden. Verbetering van de tijdelijke waterberging én de hoogwaterbescherming in de Lob van Gennep is een van die maatregelen langs de Maas en erg belangrijk door de omvang van het gebied (rivierbed) en de doorwerking van haar waterstandsdaling tot aan de Biesbosch.

Hoe worden inwoners en ondernemers beter beschermd tegen hoogwater?

Het gebied Lob van Gennep maakt deel uit van het  rivierbed en tegelijkertijd wordt het beschermd door dijken. Dat betekent dat het gebied tijdens extreem hoog water instroomt en in het gebied water komt te staan. Inwoners in het gebied zijn beter te beschermen tegen hoogwater door het gebied langer droog te houden. Dit is mogelijk door:

  • de dijken te verhogen en te versterken,
  • te zorgen dat het gebied later instroomt dan in de huidige situatie.

In de huidige situatie stroomt water op een gegeven moment over de bestaande dijken het gebied in; dat gebeurt bij hoogwaters die extremer zijn dan 1993 en 1995. Dit instromen is met het project zodanig aan te passen dat het gebied op een later moment instroomt. Dit betekent dat het gebied langer droog blijft.

Wat zijn stuwen en waarom staan ze in de Maas?

Een stuw is een waterbouwkundig werktuig dat als doel heeft de waterspiegel in een rivier te controleren. Het is een soort deur die het water tegenhoudt, oftewel: opstuwt. Naast elke stuw is een sluis die schepen naar het volgende waterniveau brengt.

In de Maas zijn in het begin van de vorige eeuw zeven stuwen gebouwd. Deze zorgen ervoor dat er in tijden van beperkte wateraanvoer voldoende waterdiepte is voor de scheepvaart. De stuwen houden een deel van het rivierwater tegen, waardoor het waterpeil stijgt en schepen kunnen varen. Ze zijn zo gebouwd dat in het hele stuwpand (het traject tot aan de volgende stuw) de waterdiepte minimaal 3 meter bedraagt.

Wanneer worden de stuwen gestreken?

De stuwen in de Maas worden gestreken (‘geopend’) bij verhoogde Maasafvoeren, wanneer de hierover vastgelegde waterstand wordt bereikt. De eerste stuw die gestreken wordt is Belfeld (Maasafvoer ca. 1.100 m3/s), daarna volgen Roermond (ca. 1.200 m3/s), Sambeek (ca. 1.400 m3/s), Grave en Linne (ca. 1.500 m3/s). De stuwen bij Lith en Borgharen (ca. 1.700 m3/s) worden als laatste gestreken. De scheepvaart wordt gestremd vanaf ca. 2.000 m3/s.

Kunnen de stuwen eerder gestreken worden om bij hoogwater hogere waterstanden te voorkomen?

Nee: wanneer de Maasafvoer doorstijgt naar bv. 3.000 m3/s, zijn de stuwen al lang geopend en hebben ze dus geen invloed meer op de waterstanden. De stuwen worden dus al gestreken vooraleer er sprake is van hoogwater.

Waterberging

Wat is bergen en waarom moet dat überhaupt in dit gebied?

Bergen is het tijdelijk vasthouden van water in een gebied bij hoogwater. Zo behoudt de rivier de ruimte. Door waterberging nemen de maximale waterstanden die stroomafwaarts optreden bij een hoogwatergolf af. Deze verlaging van de maximale waterstanden draagt bij aan de hoogwaterbescherming van de gebieden stroomafwaarts. Ook de Lob van Gennep is zo’n gebied waar water tijdelijk vastgehouden wordt bij extreem hoogwater. Als we dus maatregelen zouden treffen waarbij het gebied niet meer in zou kunnen lopen (denk aan hogere dijken) dan neemt de kans op overstroming stroomafwaarts toe.

Kunnen we niet alleen de dijken ophogen?

Eigenlijk geldt hierbij hetzelfde antwoord als hierboven. Door alleen de dijken te verhogen, kan er bij extreem hoogwater geen water meer in het gebied vastgehouden worden. Daarmee neemt de kans op overstroming elders toe. Vandaar dat verhoging van de dijken alleen kan als dit gecombineerd wordt met maatregelen waarmee de waterberging behouden kan worden.

Hoe werkt de huidige waterbergende functie van het gebied?

Het gebied Lob van Gennep behoort van oudsher tot het rivierbed van de Maas, omdat het van nature laag ligt. Het gebied heeft de status van rivierbed met een waterbergende functie (Beleidsregels grote rivieren). Dat betekent dat het gebied tijdens extreem hoog water instroomt en dat water in het gebied komt te staan. Als gevolg hiervan treden stroomafwaarts minder hoge waterstanden op en is stroomafwaarts minder dijkverhoging nodig. Als het kritische hoogwater voorbij is, loopt het gebied weer leeg.

Waarom wordt de waterbergende functie verbeterd?

De verbetering van de waterbergende werking is nodig, zodat stroomafwaarts minder hoge waterstanden optreden en minder dijkverhoging nodig is. In de huidige situatie stroomt het gebied te vroeg in, ruim voordat de piek van de hoogwatergolf optreedt die van belang is voor de dijkhoogte van stroomafwaarts gelegen dijktrajecten. De parkeerplaats staat als het ware al (gedeeltelijk) vol op het moment dat de parkeerplaats het hardste nodig is.

Hoe is de waterbergende functie van het gebied te verbeteren?

De waterbergende functie in het gebied is te verbeteren door:

  1. Water later te ‘parkeren’;

Het later instromen van het gebied is mogelijk door bijvoorbeeld een waterkerende instroomvoorziening te realiseren die enkel de zeer extreme hoogwaterpiek in het gebied laat stromen. Of bijvoorbeeld door instroomdrempels te realiseren die hoger liggen dan de huidige instroompunten, waardoor het gebied later instroomt.

  1. Water beter te ‘parkeren’;

In de huidige situatie liggen de dijken stroomafwaarts lager dan stroomopwaarts, in lijn met het verhang in de Maas. De waterbergende functie is te verbeteren door de dijken vanaf het instroompunt (ongeveer vanaf de Kroonbeek) tot en met de Mookerplas oplopend met ongeveer tot 0,5 m extra te verhogen. Hierdoor wordt water dat in het gebied tijdelijk wordt geparkeerd beter vastgehouden, totdat de hoogwaterpiek voorbij is.

  1. Het gebied beter te laten leegstromen.

Als in de huidige situatie water het gebied instroomt, blijft het water lang in het gebied staan achter de huidige dijken (denk aan enkele maanden). Alleen de afsluitmiddelen in de Kroonbeek en de Tielebeek laten het gebied leegstromen. Door de Tielebeek op onderdelen te verbreden en een bypass te realiseren richting de Mookerplas en door aanpassingen bij het instroompunt (bijvoorbeeld het open zetten van instroomvoorziening) is het mogelijk het gebied binnen enkele weken leeg te laten stromen.

In welke situatie wordt het gebied ingezet voor waterberging?

Het gebied stroomt in en heeft haar waterbergende werking als extreem hoogwater wordt verwacht dat kan leiden tot overstroming van stroomafwaarts gelegen dijken aan de Bedijkte Maas. Op dat moment heeft een groot deel van de Limburgse dijktrajecten al met overstroming te maken en is sprake van grootschalige evacuatie voor die delen van Limburg.

Waarom wordt het opnieuw in gebruik nemen van de Beerse overlaat niet bekeken?

De Beerse Overlaat diende in het verleden voor het reguleren van overstromingen en wateroverlast langs de Maas. Het was een verlaging in de dijk tussen de Brabantse dorpen Gassel en Linden. Bij hoogwater stroomde water over de Beerse Overlaat het achterliggende gebied in en via een bedding (enkele kilometers breed en ruim 40 km lang) door de huidige gemeentes Cuijk, Grave, Oss, Maasdonk en ’s-Hertogenbosch weer naar de Maas. Dit leidde tot veel wateroverlast in dit gebied en bij hogere hoogwaters overstroomden ook de dorpen. Aanleg van dijken en kanalisatie van de Maas maakte dat de Beerse Overlaat niet meer nodig was voor het voorkomen van overstromingen elders. In 1942 is de Beerse Overlaat opgeheven.

De tijdgeest was anders dan nu: in Nederland waren we nog bezig met het winnen van land op de rivieren en meren. Terwijl de huidige tijdgeest is gericht op het zo veel mogelijk behouden van ruimte voor de rivier waaronder de Maas. Tegelijkertijd zijn de Maasafvoeren waar we vandaag de dag rekening mee houden heel anders dan die in de jaren ’30 en ’40. Sinds het sluiten van de Beerse Overlaat is in het gebied veel gebouwd. Met name ’s-Hertogenbosch, gelegen in het laagste deel van de voormalige Beerse Overlaat, kende grote uitbreidingen: Maaspoort, den Bosch Noord en Grote Wielen. Ook de andere steden en dorpen hebben zich hierin uitgebreid. Verder is belangrijke infrastructuur aangelegd A2, A50, gasverdeelstation Ravenstein en dergelijke. De huidige dijk ter plekke van de voormalige overlaat is nu onderdeel van een dijktraject met een veiligheidsnorm van 1/10.000 per jaar.

Wettelijk gezien is het gebied van de Beerse Overlaat al vele jaren geen onderdeel meer van de Maas en niet als zodanig op kaarten bij de Waterwet aangegeven en evenmin als gronden voor waterstaat in bestemmingsplannen aangewezen. Hierdoor wordt het opnieuw in gebruik nemen van de Beerse Overlaat niet opnieuw bekeken.

Ruimtelijke kwaliteit

Welke kansen zijn er om het gebied mooier te maken?

De belangrijkste kansen liggen in het verbinden van de bestaande kwaliteiten met de maatregelen die de wateropgave met zich mee brengt. Denk bijvoorbeeld aan een zorgvuldig en ruimtelijk ingepaste dijkversterking met aandacht voor beleving van het mooie landschap (fietsroutes op dijken), het verbinden van dorpskernen met de Maas en de Niers, het verbinden van grote natuurgebieden en het herstel van karakteristieken Maasheggen. Meer hierover leest u in paragraaf 2.3 van de Startbeslissing.

Schaderegeling

Klopt het dat huishoudens bij het project Lob van Gennep een schadevergoeding ontvangen na een overstroming?

Een verzoek tot schadevergoeding is mogelijk op het moment dat een overstroming is opgetreden en er schade is ontstaan.

Als het gebied overstroomt en de Rijksoverheid verklaart de situatie tot een ramp, treedt de Wet tegemoetkoming schade bij rampen in werking. De Rijksoverheid stelt dan een schaderegeling vast. Daarin staan onder andere de procedure en de voorwaarden voor het indienen van verzoeken tot schadevergoeding. Denk bijvoorbeeld aan een drempelbedrag of een percentage van vergoeding van gemaakte kosten en wat het maximum uit te keren bedrag is. Over de concrete regeling is nu nog niets te zeggen.

In de Wet tegemoetkoming schade bij rampen is vastgelegd dat geen recht op een tegemoetkoming bestaat als het gaat om schade aan bouwwerken die na 19 april 1996 zijn gemaakt of gewijzigd. Vanaf die datum is de Beleidslijn ruimte voor de rivier van kracht. Wie na deze datum gebouwd heeft, wordt geacht gebouwd te hebben voor eigen risico. Dat geldt niet voor kleine bouwwerken van na 19 april 1996. Die  komen wel voor een tegemoetkoming in aanmerking. Denk bij kleine bouwwerken bijvoorbeeld aan een schutting, dakkapel, zonnepanelen of een overkapping en vergunningvrije bouwwerken.

Bovenstaande geldt voor de huidige situatie en voor de nieuwe situatie, na uitvoering van een project Lob van Gennep. Voor de nieuwe situatie zijn in het begin van deze verkenning nog verschillende oplossingsrichtingen mogelijk. Indien gekozen wordt voor een oplossing met vaste instroomdrempel geldt het bovenstaande. Indien gekozen wordt voor een oplossing met een waterkerende instroomvoorziening, is het de vraag of in juridisch opzicht sprake is van een vergroting van de waterberging. Zo ja, dan is een verzoek tot schadevergoeding op grond van de Waterwet mogelijk. Als dit verzoek niet mogelijk blijkt, blijft de Wet tegemoetkoming schade bij rampen van toepassing zoals hierboven is beschreven.

We hebben begrepen dat deze informatie voor veel mensen nieuw is. Ook al bestaat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen sinds 1998. Het onderwerp schaderegeling staat daarom op de agenda van de stuurgroep Lob van Gennep, om de zorgen van mensen uit het gebied te bespreken.

Het rapport over mogelijkheden voor schadevergoeding na een overstroming van de Lob van Gennep is in oktober in concept in de Stuurgroep besproken. Tijdens de bespreking is een aantal aanvullende vragen gesteld die momenteel in het rapport door Pels Rijcken worden verwerkt. In januari komt de Stuurgroep weer bijeen en zal het definitieve rapport op de agenda staan, met het verzoek het rapport op de website te kunnen plaatsen.