Veelgestelde vragen

Algemeen

Waarom wordt het project Lob van Gennep gestart?

MIRT onderzoek laat zien dat er kansen zijn om zowel de inwoners en ondernemers in de Lob van Gennep beter te beschermen tegen hoogwater als de waterbergende functie van het gebied te verbeteren. En, dat deze kansen samen kunnen gaan met het versterken van de gebiedskwaliteiten.

Welke partijen zijn initiatiefnemer en werken samen aan het project?

Lob van Gennep is een gezamenlijk project van gemeenten Gennep en Mook en Middelaar, waterschappen Limburg en Aa en Maas, provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland en het Rijk (Rijkswaterstaat en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). Zij zijn de initiatiefnemers. Waterschap Limburg treedt namens de samenwerkende overheden op als trekker van de verkenning.

Wat verandert er door het project voor mij?

Na realisatie van het project Lob van Gennep bent u beter beschermd tegen hoogwater van de Maas. De dijken zijn versterkt en verhoogd en het gebied stroomt pas later (minder vaak) in. De status van het gebied blijft het zelfde, namelijk onderdeel van de rivier/het rivierbed waarvoor het bergend regime geldt. Door de bijzondere gebiedskwaliteiten te verbinden met de opgave voor waterveiligheid zijn er kansen om het gebied nog mooier te maken. We denken hierbij aan het aanleggen van voet- en fietspaden, het ruimtelijk inpassen van de dijken, het weer verbinden van het dorp Middelaar met de Maas en het zichtbaar maken van cultuur-historische waarden.

Hoeveel veiliger wordt het gebied?

Het project Lob van Gennep zorgt ervoor dat het gebied veiliger wordt dan de in de huidige situatie. Er komen hogere en sterkere dijken en een waterkerende instroomvoorziening, zodat het gebied langer droog blijft. Hoeveel veiliger wordt nog nader onderzocht. Bepalend daarbij is hoe de dijkversterking wordt uitgevoerd en wat voor een type instroomvoorziening er komt.

Waarom krijgen wij natte voeten om Den Bosch droog te houden?

Vanwege de laagte in het landschap stroomt in de huidige situatie bij extreem hoogwater water in de Lob van Gennep. Hierdoor zijn stroomafwaarts de waterstanden minder hoog en is de kans op overstroming, zoals in 's-Hertogenbosch, kleiner. Na de uitvoering van het project Lob van Gennep stroomt het gebied later in, wordt het water beter (tijdelijk) vastgehouden en treden bij extreem hoogwater stroomafwaarts lagere waterstanden op. Tegelijkertijd zijn bewoners en ondernemers in de Lob van Gennep na uitvoering van het project beter beschermd tegen hoogwater en worden gebiedskwaliteiten versterkt.

Overigens vinden langs de hele Maas maatregelen plaats om Zuid-Nederland beter te beschermen tegen hoogwater. Al die maatregelen samen zorgen voor een waterstandsdaling van de Maas en het houden van droge voeten. Het is een aaneenschakeling van maatregelen die nodig zijn om ook in de toekomst droge voeten te houden. Verbetering van de tijdelijke waterberging in de Lob van Gennep is een van die maatregelen langs de Maas en erg belangrijk door de omvang van het gebied (rivierbed) en de doorwerking van haar waterstandsdaling tot aan de Biesbosch.

 

Wie draait er op voor de schade door hoogwater?

Hier gaan we onderzoek naar doen. We brengen in kaart of in de huidige en de toekomstige situatie aanspraak op schadevergoeding mogelijk is indien het gebied instroomt door extreem hoogwater, en wat er verandert.

Waarom worden niet alle denkrichtingen uit het MIRT-onderzoek als oplossingsrichting in de verkenning onderzocht?

Het MIRT-Onderzoek is afgerond in 2018. Doel van het MIRT-Onderzoek was om te onderzoeken wat de opgaven voor het gebied zijn en afwegen of partijen het haalbaar en wenselijk achten een vervolgstap te zetten. De stuurgroep, met daarin Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten, heeft daarop besloten tot het starten van de MIRT Verkenning. Hiertoe is eind april 2019 de ‘Startbeslissing tot Verkenning’ genomen,  waarin is vastgelegd dat de verkenning moet leiden tot een voorkeursalternatief waarmee:

·         De hoogwaterbescherming in de Lob van Gennep verbetert;

·         De waterbergende functie van het gebied verbetert;

·         En de ruimtelijke kwaliteit in de Lob van Gennep versterkt.

De denkrichting ‘wettelijke normdijken’ uit het MIRT-Onderzoek voldoet niet aan alle drie de doelen – de waterbergende functie vermindert juist – en is daarom geen alternatief meer voor de verkenning. Samen met de omgeving gaan we in de verkenningsfase (2019 – 2020) op zoek naar mogelijke oplossingen met alle voor- en nadelen.

Hoogwaterbescherming

Hoe kan het gebied beter beschermd worden en tegelijkertijd haar waterbergende werking behouden?

Het gebied moet langer droog blijven dan nu het geval is. Alleen dan kan het een rol spelen bij een extreem hoge piekafvoer. Door de dijken te verhogen en het gebied pas later in te laten stromen, houden we het water langer buiten het gebied. Om het water bij zeer extreme omstandigheden het gebied in te laten stromen, is een instroomvoorziening nodig die alleen bij deze extreme piekafvoeren ingezet wordt. In deze extreme situatie stroomt een groot deel van de Limburgse dijktrajecten op dat moment al over en is er al sprake van grootschalige evacuatie uit andere delen van Limburg.

Wat is een waterkerende instroomvoorziening?

Een waterkerende instroomvoorziening is een constructie die hoogwater van de Maas tegenhoudt. Gecombineerd met de hogere dijken blijft het gebied langer droog dan in de huidige situatie. Pas bij extreem hoge waterstanden wordt de voorziening geopend om water tijdelijk in het gebied te bergen. De opening van een waterkerende instroomvoorziening verloopt naar verwachting via een strak voorgeschreven openingsprotocol.

Hoe worden inwoners en ondernemers beter beschermd tegen hoogwater?

Het gebied Lob van Gennep maakt deel uit van het  rivierbed en tegelijkertijd wordt het beschermd door dijken. Dat betekent dat het gebied tijdens extreem hoog water instroomt en in het gebied water komt te staan. Inwoners in het gebied zijn beter te beschermen tegen hoogwater door het gebied langer droog te houden. Dit is mogelijk door:

  • de dijken te verhogen en te versterken,
  • te zorgen dat het gebied later instroomt dan in de huidige situatie.

In de huidige situatie stroomt water op een gegeven moment over de bestaande dijken het gebied in; dat gebeurt bij hoogwaters die extremer zijn dan 1993 en 1995. Dit instromen is met het project zodanig aan te passen dat het gebied op een later moment instroomt. Dit betekent dat het gebied langer droog blijft.

Waterberging

Hoe werkt de huidige waterbergende functie van het gebied?

Het gebied Lob van Gennep behoort van oudsher tot het rivierbed van de Maas, omdat het van nature laag ligt. Het gebied heeft de status van rivierbed met een waterbergende functie (Beleidsregels grote rivieren). Dat betekent dat het gebied tijdens extreem hoog water instroomt en dat water in het gebied komt te staan. Als gevolg hiervan treden stroomafwaarts minder hoge waterstanden op en is stroomafwaarts minder dijkverhoging nodig. Als het kritische hoogwater voorbij is, loopt het gebied weer leeg.

Waarom wordt de waterbergende functie verbeterd?

De verbetering van de waterbergende werking is nodig, zodat stroomafwaarts minder hoge waterstanden optreden en minder dijkverhoging nodig is. In de huidige situatie stroomt het gebied te vroeg in, ruim voordat de piek van de hoogwatergolf optreedt die van belang is voor de dijkhoogte van stroomafwaarts gelegen dijktrajecten. De parkeerplaats staat als het ware al (gedeeltelijk) vol op het moment dat de parkeerplaats het hardste nodig is.

Hoe is de waterbergende functie van het gebied te verbeteren?

De waterbergende functie in het gebied is te verbeteren door:

  1. Water later te ‘parkeren’;

Het later instromen van het gebied is mogelijk door bijvoorbeeld een waterkerende instroomvoorziening te realiseren die enkel de zeer extreme hoogwaterpiek in het gebied laat stromen. Of bijvoorbeeld door instroomdrempels te realiseren die hoger liggen dan de huidige instroompunten, waardoor het gebied later instroomt.

  1. Water beter te ‘parkeren’;

In de huidige situatie liggen de dijken stroomafwaarts lager dan stroomopwaarts, in lijn met het verhang in de Maas. De waterbergende functie is te verbeteren door de dijken vanaf het instroompunt (ongeveer vanaf de Kroonbeek) tot en met de Mookerplas oplopend met ongeveer tot 0,5 m extra te verhogen. Hierdoor wordt water dat in het gebied tijdelijk wordt geparkeerd beter vastgehouden, totdat de hoogwaterpiek voorbij is.

  1. Het gebied beter te laten leegstromen.

Als in de huidige situatie water het gebied instroomt, blijft het water lang in het gebied staan achter de huidige dijken (denk aan enkele maanden). Alleen de afsluitmiddelen in de Kroonbeek en de Tielebeek laten het gebied leegstromen. Door de Tielebeek op onderdelen te verbreden en een bypass te realiseren richting de Mookerplas en door aanpassingen bij het instroompunt (bijvoorbeeld het open zetten van instroomvoorziening) is het mogelijk het gebied binnen enkele weken leeg te laten stromen.

In welke situatie wordt het gebied ingezet voor waterberging?

Het gebied stroomt in en heeft haar waterbergende werking als extreem hoogwater wordt verwacht dat kan leiden tot overstroming van stroomafwaarts gelegen dijken aan de Bedijkte Maas. Op dat moment heeft een groot deel van de Limburgse dijktrajecten al met overstroming te maken en is sprake van grootschalige evacuatie voor die delen van Limburg.

Waarom wordt het opnieuw in gebruik nemen van de Beerse overlaat niet bekeken?

De Beerse Overlaat diende in het verleden voor het reguleren van overstromingen en wateroverlast langs de Maas. Het was een verlaging in de dijk tussen de Brabantse dorpen Gassel en Linden. Bij hoogwater stroomde water over de Beerse Overlaat het achterliggende gebied in en via een bedding (enkele kilometers breed en ruim 40 km lang) door de huidige gemeentes Cuijk, Grave, Oss, Maasdonk en ’s-Hertogenbosch weer naar de Maas. Dit leidde tot veel wateroverlast in dit gebied en bij hogere hoogwaters overstroomden ook de dorpen. Het uitvoeren van werken in de Maas (kanaliseren, aanleg stuwen) maakte dat de Beerse Overlaat niet meer nodig was voor het voorkomen van overstromingen elders. In 1942 is de Beerse Overlaat opgeheven. De tijdgeest was anders dan nu: in Nederland waren we nog bezig met het winnen van land op de rivieren en meren terwijl de huidige tijdgeest is gericht op het zo veel mogelijk behouden van het rivierbed van de Maas.

Sinds het sluiten van de Beerse Overlaat is in het beddingsgebied veel gebouwd. Met name ’s-Hertogenbosch, gelegen in het laagste deel van de voormalige Beerse Overlaat, kende grote uitbreidingen (Maaspoort, den Bosch Noord, Grote Wielen). Ook de andere steden en dorpen hebben zich hierin uitgebreid. Verder is belangrijke infrastructuur aangelegd A2, A50, gasverdeelstation Ravenstein ed. Tegelijkertijd zijn de Maasafvoeren waar we vandaag de dag rekening mee houden heel anders dan die in de jaren ’30 en ’40. Het zou vragen om de aanleg van vele kilometers dijk om het water niet ver buiten de oorspronkelijke overlaatbedding te laten treden. Gelet op de grootte van het beddingsgebied, met de bebouwing hierin en de dijken die eromheen nodig zouden zijn is het opnieuw in gebruik stellen van de Beerse Overlaat niet realistisch. De huidige dijk ter plekke van de voormalige overlaat is nu onderdeel van een dijktraject met een veiligheidsnorm van 1/10.000 per jaar, gelet op de grote consequenties die een dijkdoorbraak hier kan hebben.  

Ruimtelijke kwaliteit

Welke kansen zijn er om het gebied mooier te maken?

De belangrijkste kansen liggen in het verbinden van de bestaande kwaliteiten met de maatregelen die de wateropgave met zich mee brengt. Denk bijvoorbeeld aan een zorgvuldig en ruimtelijk ingepaste dijkversterking met aandacht voor beleving van het mooie landschap (fietsroutes op dijken), het verbinden van dorpskernen met de Maas en de Niers, het verbinden van grote natuurgebieden en het herstel van karakteristieken Maasheggen. Meer hierover leest u ook in hoofdstuk 3 van het MIRT-onderzoek.